ASK-Solutions ontstond niet uit één vakgebied, project of intellectuele traditie. Aan de formele stichting ging een langere geschiedenis vooraf waarin verschillende mensen ieder hun eigen ervaringen en achtergronden meebrachten uit onder meer filosofie en ethiek, religie en cultuur, onderwijs, maatschappelijk en gemeenschapsgericht werk, wetenschap, techniek en zelfstandig leren en onderzoeken.
De verschillende achtergronden en ervaringen van de betrokkenen kwamen in praktische, technische, educatieve en sociale omgevingen steeds vaker met elkaar in aanraking. Bestaande vragen rond kennis, vrijheid, verantwoordelijkheid en gemeenschap kregen daar nieuwe concrete vormen, terwijl verschillen in opvatting tot discussie, toetsing en verdere ontwikkeling leidden. Zo ontstond geleidelijk een gedeeld kader zonder dat alle betrokkenen vanuit dezelfde achtergrond of overtuiging vertrokken.
ASK-Solutions is de publieke naam van de IRADIS Foundation. De juridische rechtspersoon kreeg in 2002 formeel gestalte; verschillende ideeën, projecten, samenwerkingsvormen en fysieke uitvoeringen waaruit het latere werk herkenbaar is, bestonden toen al.
Deze pagina geeft een verhalend overzicht van hoe de stichting en haar werk zich hebben ontwikkeld, hoe verschillende achtergronden en praktische ervaringen bij elkaar kwamen en hoe vragen rond gedeelde kennis, vrijheid, verantwoordelijkheid, leren, samenwerking en zelfstandigheid in de loop van de tijd verschillende projecten, systemen, locaties en publieke namen hebben gekregen.
Voordat de gezamenlijke projecten en later de stichting vorm kregen, hadden de betrokkenen ieder al eigen ervaringen, interesses en overtuigingen ontwikkeld. Familie en gemeenschap, religie en filosofie, literatuur en cultuur, onderwijs, maatschappelijke betrokkenheid, wetenschap, techniek en praktisch werk speelden daarin in verschillende combinaties een rol.
De verschillende ervaringen en opvattingen van de betrokkenen brachten uiteenlopende perspectieven samen op kennis, vrijheid, verantwoordelijkheid, geloof, maatschappij, leren en zeggenschap. In gesprekken werden die perspectieven met elkaar vergeleken, bevraagd en verder ontwikkeld. Praktische situaties boden daarbij telkens nieuwe omstandigheden waarin zulke vragen niet alleen besproken, maar ook ervaren, onderzocht en opnieuw beoordeeld konden worden.
Techniek vormde daarin een belangrijk praktisch terrein. Lang voordat de juridische stichting werd opgericht, werkten verschillende later betrokken mensen al met software, hardware, elektronica, modelvliegtuigen, simulatie, webpublicatie, reparatie, communicatiesystemen, reverse engineering, vrije software, hackerethiek, demoscene-cultuur, BBS-systemen, FidoNet en het vroege internet. Maar deze technische geschiedenis stond niet los van bredere interesses en ervaringen rond leren, gemeenschap, cultuur en zelfstandigheid.
Verschillen tussen de betrokkenen werden onder meer zichtbaar in hun ervaringen met onderwijs en opvoeding. Laura had vanuit het vrije onderwijs ervaring met een leeromgeving waarin eigen ontwikkeling, belangstelling en verschillende manieren van leren veel ruimte kregen. Hüseyin had regulier onderwijs gevolgd, terwijl ook hij thuis veel vrijheid en steun kreeg om eigen interesses te ontwikkelen. Dat was bijvoorbeeld zichtbaar in zijn belangstelling voor modelvliegtuigen, computers, laptops en technische gadgets. Tegelijk brachten zij vanuit hun familiegeschiedenis, culturele omgeving en opvoeding verschillende ervaringen mee over gezag, verantwoordelijkheid, familieverhoudingen en de manier waarop regels en normen worden uitgelegd.
Ook Martin bracht een duidelijk eigen perspectief mee. Zijn academische achtergrond ging samen met een sterke belangstelling voor alternatieve muziek en cultuur. Laura kwam vanuit andere delen van dezelfde bredere culturele omgeving, met meer nadruk op literatuur, performance, beeldende kunst en de netwerken daaromheen. Hun achtergronden overlapten dus maar gedeeltelijk, maar er waren voldoende gemeenschappelijke referenties om snel aansluiting te vinden. Juist de verschillen binnen dat gedeelde culturele terrein boden veel aanleiding voor verdere gesprekken over kunst, subcultuur, seksualiteit, maatschappelijke normen en individuele vrijheid.
Uit zulke verschillen ontstonden lange en soms stevige discussies over familie, normen en waarden, nature versus nurture, de positie van mannen en vrouwen, homoseksualiteit en intersekse, en de vraag in hoeverre menselijk gedrag als natuurlijk, aangeleerd of cultureel bepaald kan worden gezien. Ook opvoeding en recht kwamen regelmatig terug: verschillen tussen straffen en aanmoedigen, hoe landen en culturen met gezag omgaan, historische verschillen tussen christelijke en islamitische rechtspraktijken, en de bredere religieuze en politieke geschiedenis waarin zulke opvattingen waren ontstaan, waaronder de kruistochten. Zulke gesprekken maakten duidelijk dat vragen over vrijheid, verantwoordelijkheid en zeggenschap veel verder reikten dan techniek en steeds opnieuw anders konden uitpakken afhankelijk van historische, culturele en persoonlijke context.
Bij technologie werd dit bijzonder concreet wanneer kennis actief werd afgesloten, bijvoorbeeld door propriëtaire software en hardware, gesloten bestandsformaten, technische beperkingen, intellectuele-eigendomsclaims of onderdelen die uitsluitend als ondoorzichtige binaire component werden geleverd. Een gebruiker kon een systeem dan wel gebruiken, terwijl begrijpen, onderzoeken, aanpassen, repareren of verder delen steeds moeilijker werd.
Daarin lag ook een belangrijk verschil tussen de vrije-softwaregedachte die binnen de vroege groep belangrijk was en sommige commerciële benaderingen van open source. Binnen zo'n open-sourcebenadering kon het praktisch aanvaardbaar zijn een deel van de broncode beschikbaar te stellen en tegelijkertijd andere onderdelen als proprietary binary blobs te leveren om kennis of intellectueel eigendom af te schermen. Vanuit de vrije-softwaregedachte bleef zo'n onderdeel juist buiten de vrijheid die centraal stond: wie de gebruikte software niet kan bestuderen, aanpassen en delen, houdt voor dat deel geen daadwerkelijke controle over het systeem.
Vrije software en later vrije hardware waren daarmee geen bron waaruit alle bredere ideeën van de stichting voortkwamen. Zij waren concrete terreinen waarop reeds bestaande vragen over kennis, macht, afhankelijkheid, vrijheid en verantwoordelijkheid zeer scherp zichtbaar werden en waarop verschillende betrokkenen hun opvattingen konden toetsen en met elkaar konden bespreken.
Eind jaren negentig ontstond rond de afdeling Luchtvaarttechniek van Hogeschool Haarlem een ongebruikelijke praktische omgeving. Het was een schoolomgeving met kantoren, werkplaatsen, laboratoria, opslagruimten, simulatorprojecten, technische collecties en mensen die zich tussen afdelingen bewogen. De werkplaats en studentenvereniging Sipke Wynia bevonden zich bij een zijingang helemaal linksachter in het gebouw, direct naast de Sipke Wynia-bar en dicht bij de vliegtuigcollectie.
Die kant van het gebouw keek uit op de spoorlijn tussen Zandvoort en Haarlem, het terrein van het voormalige Marinehospitaal en een parkeerplaats. Het pad langs het spoor werd door studenten, medewerkers, docenten, buurtbewoners en bezoekers gebruikt als praktische afsnijroute tussen het station, de school, nabijgelegen straten en de omliggende wijken. Vanaf dezelfde zijingang lag het aangrenzende HEAO-gebouw direct in de buurt. In de praktijk maakte dit het gebied rond de werkplaats en vliegtuigcollectie veel opener dan een normale gang met lokalen of kantoren.
Laura, later een van de oprichters en nog steeds verbonden aan het bestuur, bracht een achtergrond mee waarin religie en filosofie, literatuur en cultuur, maatschappelijke betrokkenheid, wetenschap, onderwijs en techniek al vroeg naast en door elkaar liepen. Formeel onderwijs, zelfstandig studeren, werk en praktische projecten liepen daarbij regelmatig in elkaar over.
In Overveen werkte Laura onder meer aan software, hardware, testsystemen en automatisering. Een belangrijke vroege taak was het vanaf de grond opnieuw opbouwen van een digitaal toetssysteem voor studenten: het ontwerpen van kleine studententerminals met toetsenborden en displays, hardware-interfacing en software op de computer van de docent. Ander werk omvatte meet- en testapparatuur, educatieve hardware, maatwerk-elektronica en herbruikbare software.
Omdat het werk plaatsvond naast zichtbare looproutes binnen de school, gedeelde ruimten, de bar, de vliegtuigcollectie en de zijingang, bleef technisch werk niet verborgen achter een eindproduct. Mensen konden terminals, cockpitonderdelen, testapparatuur, tekeningen, kabels, gereedschap en half afgemaakte oplossingen zien. Die zichtbaarheid gaf mensen een reden om stil te staan, te kijken en te vragen wat iets was, waarom het werkte, waarom het niet werkte of hoe het gerepareerd kon worden.
In de eerste weken ontstonden gesprekken met mensen die belangrijk zouden worden voor de latere stichting. Hüseyin, toen student Luchtvaarttechnologie, raakte vroeg betrokken. Hij groeide op met sterke steun vanuit zijn ouders en een gemeenschap in Almelo en werd actief in gemeenschapswerk in Haarlem. Religie, cultuur, geschiedenis en wetenschap hadden eveneens zijn belangstelling; reizen, bibliotheekbezoek en eigen studie, onder meer rond Turkije en Iran, verdiepten die verder.
Die achtergrond kreeg binnen de groep betekenis in gesprekken en discussies over onder meer onderwijs, geloof, geschiedenis, samenleving, verantwoordelijkheid, kennis en de manier waarop verschillende culturen en instituties daarmee omgaan. Samen met de andere uiteenlopende achtergronden van de betrokkenen droeg dat bij aan de verdere verdieping van de gezamenlijke vragen en ideeën.
Piet de Wit, een ingenieur met een Hoogovens-achtergrond, en Olaf van Bockel, voormalig piloot en flight test engineer, werkten ondertussen aan het F.28-simulatorproject en hadden hulp nodig bij de computer- en automatiseringskant. Piet zou daarnaast belangrijk worden voor de praktische ruimte en voor het denken over een zelfstandiger organisatorische en juridische basis voor het werk.
Ook Robert raakte nauw bij de groep betrokken. Rond Robert bestond een sociale achtergrond die niet uit de technische projecten voortkwam. Robert en Jolanda kenden elkaar al vanaf hun jeugd en hadden een sterke band met de hechte gemeenschapsvorming in Friesland, waarin verenigingen, onderwijs, praktische onderlinge hulp en betrokkenheid bij de omgeving dicht bij elkaar lagen.
Jolanda had na haar Pabo-opleiding tijdens deze periode zelf ervaring in het ZML-onderwijs. Naast haar dagelijkse werk hield zij zich ook bezig met praktische zaken rond de leef- en leeromgeving van de kinderen, waaronder plannen en fondsenwerving rond de inrichting van scholen. Zij had geen formele functie binnen de stichting, maar ervaringen uit haar werk met kinderen, onderwijs en ondersteuning maakten via Robert en de informele contacten rond de groep wel deel uit van gesprekken en gezamenlijke activiteiten. Later was zij ook als vrijwilliger betrokken bij Stichting Witte Tulp. De gemeenschapsgerichte betrokkenheid die Robert en Jolanda uit Friesland kenden, bleef ook na hun latere terugkeer naar Friesland herkenbaar in hun lokale activiteiten.
De betekenis van Overveen ging daardoor verder dan de afzonderlijke technische projecten. Rond het zichtbare werk kregen verschillende reeds bestaande ervaringen en manieren van werken een gezamenlijke praktische omgeving. Mensen konden binnenlopen, vragen stellen, zelf iets proberen, kennis delen en vanuit verschillende achtergronden aan hetzelfde concrete probleem werken. Daarmee kregen belangrijke kenmerken van het later expliciet beschreven deelbare werkmodel een herkenbare gezamenlijke vorm voordat de stichting juridisch bestond.
De vliegtuigcollectie zelf was een belangrijk aantrekkingspunt, vooral tijdens open dagen en speciale evenementen. De collectie bevatte vliegtuigmateriaal met verhalen eraan verbonden, zoals de Fokker Spin die verbonden was met de vroege vlucht over Haarlem en een Sikorsky-helikopter die verbonden was met Olafs eigen ervaring als flight test engineer. Dit waren geen abstracte leermiddelen. Het waren fysieke objecten met geschiedenis, technische vraagstukken en menselijke verhalen, en zij maakten het omliggende technische werk toegankelijker.
Mensen kwamen binnen via gewone routes. Studenten van de naburige HEAO, studenten van andere afdelingen, technici, docenten, klasgenoten, bezoekers en mensen die al iemand daar kenden vonden hun weg naar de ruimte. Buurtkinderen kwamen in een zichtbare school- en werkplaatssfeer waar volwassenen aanwezig waren, deuren openstonden en vliegtuigonderdelen, gereedschap en uitleg de plek levendig maakten. Ze stelden vragen, keken wat er gebeurde en maakten soms eenvoudige tekeningen van de ruimte en de mensen die ze daar ontmoetten, die zij teruggaven als kleine tekenen van enthousiasme en waardering.
Wat ertoe deed was niet alleen de machines of het vliegtuigmateriaal, maar de mogelijkheid verschillende vormen van kennis in een gedeelde omgeving bij elkaar te brengen. Iemand kon wijzen naar een cockpitonderdeel, een terminal, een kabel, een stuk code of een kapot apparaat en uitleggen wat het deed. Een ander bracht ervaring uit onderwijs, gemeenschap, cultuur of een ander vakgebied mee. Daardoor werden techniek, educatie, ontmoeting, discussie en kennisdeling niet afzonderlijke activiteiten maar delen van dezelfde dagelijkse omgeving.
Overveen werd zo een van de eerste omgevingen waarin verschillende lijnen samenkwamen en waarin de praktische werkwijze een herkenbare, gezamenlijk gedragen vorm kreeg.
Later kwam naast de simulatorruimte, tegenover de werkomgeving waarin veel van deze praktijk zich had ontwikkeld, een eigen ruimte beschikbaar. Piet de Wit speelde een belangrijke rol bij het verkrijgen daarvan. Na gesprekken met het afdelingshoofd en de schoolleiding kon een van de beschikbare ruimten voor het project worden gebruikt. De ruimte kreeg eigen slotcilinders, zodat de mensen die voor het project toegang kregen daarmee niet automatisch toegang hadden tot klaslokalen, laboratoria, docentenkamers en andere delen van de school.
De ruimte werd door de betrokkenen zelf praktisch ingericht en daarna dagelijks opengehouden door een team van studenten en vrijwilligers, onder wie Piet de Wit, Laura, Robert, Martin, Vincent en Cedric. Daardoor ontstond niet alleen een ruimte voor één gepland technisch project, maar een plek waar mensen gedurende de dag konden binnenlopen, ergens aan konden werken, een vraag konden stellen of betrokken konden raken bij het werk van iemand anders.
Er kwamen studenten uit verschillende opleidingen langs, waaronder Elektrotechniek met informatica en elektronica, Scheepsbouwkunde, Werktuigbouwkunde en Luchtvaarttechnologie, maar ook studenten van de HEAO. Daarnaast kwamen buurtbewoners, vrienden, familie en kennissen binnen. Studenten gebruikten de ruimte voor opdrachten en technische projecten uit hun opleiding wanneer zij liever hier werkten dan thuis of in een open practicumlokaal. Daarnaast werkten mensen er aan eigen, zelfbedachte projecten vanuit persoonlijke interesse of hobby, en aan reparaties en praktische technische problemen die zij zelf meebrachten.
Er werd onder meer gewerkt aan computers, zelfbouwluidsprekers, huishoudelijke apparatuur en eigen constructies, waaronder een zelfgebouwde draagbare computer opgebouwd uit een attachékoffer, moederbord, plat scherm en voeding. Ook ongebruikelijke projecten konden binnenkomen, zoals de restauratie van de grote transport- en podiumbakfiets van de Bakfietsband.
Juist die dagelijkse menging van mensen, vakgebieden en soorten werk maakte zichtbaar dat de praktijk veel breder was dan één opleiding, één simulatorproject of één technisch specialisme. Kennis kwam uit verschillende richtingen binnen en werd doorgegeven in de context van echt werk. De combinatie van zichtbaar praktisch werk, vrije inloop, zelf proberen, uitleg en kennis uitwisselen kreeg daarmee een vorm die ook buiten de oorspronkelijke projectruimte kon bestaan.
De eerste fysieke uitvoering van dit later beschreven deelbare werkmodel bestond daarmee al vóór de formele oprichting van de stichting.
De praktijk in Overveen liet niet voor het eerst zien dat kennis, verantwoordelijkheid of gemeenschap belangrijk waren. Zij maakte wel zeer concreet wat er mogelijk werd wanneer mensen met verschillende achtergronden ruimte kregen om samen te werken en kennis zichtbaar en toegankelijk te maken. Een student die zijn motivatie kwijt was kon opnieuw geïnteresseerd raken door mee te helpen aan een echt probleem. Een kind dat alleen kwam kijken kon vertrekken met een tekening of een nieuwe vraag. Iemand uit een ander vakgebied kon een moeilijk begrip begrijpen doordat het via een cockpit, schakeling, meting of kapot onderdeel werd uitgelegd.
Tegelijk werd duidelijk hoe kwetsbaar zo'n omgeving was wanneer zij volledig afhankelijk bleef van ruimte, middelen en toestemming van een andere instelling. Piet de Wit behoorde tot de mensen die sterk benadrukten dat een blijvende eigen organisatorische en juridische identiteit nodig was. Ook Robert, Adriaan en anderen moedigden aan om voor het groeiende werk een zelfstandiger vorm te zoeken.
De vraag werd daarmee niet alleen praktisch maar ook organisatorisch. Een project kon verdwijnen wanneer een instelling andere prioriteiten kreeg. Apparatuur, documentatie, ontwerpen en opgebouwde relaties konden verspreid raken. Een zelfstandige organisatie kon zelf overeenkomsten aangaan, middelen beheren, fondsen of subsidies aanvragen, verantwoordelijkheid dragen en continuïteit bieden aan werk dat niet vanzelf binnen één bestaande instelling paste.
De vroege groep bestond uit mensen met verschillende opvattingen over kennis, vrijheid, verantwoordelijkheid en de verhouding tussen individu en organisatie. Dat leidde soms tot stevige discussies over vrije software en de toen populair wordende commerciële framing van “open source”, maar ook over onderwijs, geloof, cultuur, geschiedenis, gemeenschap en maatschappelijke verantwoordelijkheid.
Vrije software werd daarbij een bijzonder concreet terrein waarop zulke bredere vragen konden worden getoetst. De discussie ging niet alleen over licenties of broncode, maar over daadwerkelijke zeggenschap: wat betekent vrijheid wanneer essentiële onderdelen gesloten blijven, toegang afhankelijk is van een andere organisatie of iemand formeel iets mag gebruiken maar in de praktijk nauwelijks zelfstandig verder kan? Zulke discussies scherpten bestaande opvattingen aan en hielpen de groep om vragen rond kennisdeling, samenwerking, afhankelijkheid en zelfstandigheid steeds preciezer te formuleren.
Terwijl de behoefte aan een zelfstandige stichting concreter werd, veranderde ook de onderwijsomgeving waarin een belangrijk deel van het vroege gezamenlijke werk plaatsvond. De overgang van Hogeschool Haarlem naar InHolland ging gepaard met een reorganisatie die zich in verschillende fasen voltrok. Voor mensen rond het vroege IRADIS-werk voelde die verandering duidelijk bedrijfsmatiger en commerciëler dan de academische cultuur die zij bij Hogeschool Haarlem gewend waren.
Bij Hogeschool Haarlem waren historie, vakkennis, langdurige samenwerking, onderzoek, technische voorzieningen en de resultaten van eerder werk zichtbaar onderdeel van de omgeving. In de nieuwe organisatie kwam meer nadruk te liggen op efficiënt inzetbare capaciteit, locatieplanning en meetbare aantallen onderwijs- en studieplekken. Docenten en opleidingen konden over verschillende vestigingen worden verdeeld wanneer dat organisatorisch efficiënter was. Daarmee werden ook lang bestaande teams en collegiale samenwerkingen uit elkaar getrokken; mensen die jarenlang direct met elkaar hadden gewerkt konden vervolgens tientallen kilometers van elkaar verwijderd op verschillende locaties terechtkomen.
Ook in het gebruik van gebouwen werd die andere manier van waarderen zichtbaar. Een laboratorium, onderzoeksruimte, vliegtuigcollectie of multifunctionele ruimte voor technisch en sociaal leren nam relatief veel fysieke ruimte in zonder dat de waarde ervan eenvoudig als een aantal individuele zit- of studieplaatsen kon worden uitgedrukt. Ruimte rond de simulatoromgeving werd verbouwd om plaats te maken voor rijen afzonderlijke studieplekken, met toegang via codesloten en gebruik op basis van gereserveerde tijdsloten.
Elders kwam nieuwbouw waarin onder meer horeca- en sportvoorzieningen werden ondergebracht die afzonderlijk commercieel konden worden geëxploiteerd. Daarmee konden vierkante meters steeds directer worden gekoppeld aan meetbare bezetting, afzonderlijk gebruik of exploitatie, terwijl de waarde van laboratoria, collecties, onderzoeksruimte en multifunctionele ontmoetings- en werkruimten veel moeilijker in zulke maatstaven was uit te drukken.
Algemeen toegankelijke computerlokalen met lange werktafels, ruimte voor apparatuur, boeken en samenwerking maakten plaats voor individueler ingerichte computer- en studieplekken met tussenschotten en beperkte ruimte rondom de gebruiker. Toegang tot gebouwen en voorzieningen werd sterker gereguleerd met passen, poortjes, codesloten en cameratoezicht, terwijl functies van baliepersoneel en conciërges veranderden of verdwenen.
Ook historische kennis en technische infrastructuur bleken niet vanzelfsprekend blijvend. Bij het ontruimen van opslag- en kelderruimten werden grote hoeveelheden oude verslagen, onderzoeksrapporten, technische documentatie, lesmateriaal en handleidingen afgevoerd. Laboratoria en andere gespecialiseerde ruimten werden afgestoten of kregen een andere functie. Ruimte waarin eerder kon worden onderzocht, geëxperimenteerd, gebouwd, gemeten en gezamenlijk aan technische problemen gewerkt, werd rond de simulatoromgeving deels omgebouwd tot studieruimte met tafels en afzonderlijke werkplekken voor mensen die daar met boeken, schriften of een laptop zelfstandig konden studeren.
Tegelijkertijd veranderde ook het karakter van het onderwijsaanbod. Naast brede technische opleidingen van ongeveer vier jaar, waarin studenten over langere tijd een vakgebied, de onderliggende theorie en verschillende disciplines leerden beheersen, verschenen veel kortere trajecten die sterk rond het praktisch leren gebruiken van één concreet softwarepakket of een beperkte beroepsvaardigheid waren opgebouwd.
Een student kon bijvoorbeeld in een traject van enkele maanden leren werken met een pakket als Photoshop of Dreamweaver en daarvoor een diploma of kwalificatie behalen die vooral aantoonde dat dit pakket in een werkomgeving kon worden gebruikt. Dat was een wezenlijk ander onderwijsmodel dan een meerjarige brede opleiding. In latere reorganisatiefasen werden delen van de langere technische opleidingen vervolgens verplaatst, samengevoegd of inhoudelijk teruggebracht.
De veranderingen maakten zichtbaar dat vrijheid van software, ontwerpen en documentatie slechts een deel van het probleem rond continuïteit kon afdekken. Een organisatie behield immers zeggenschap over ruimte, toegang, infrastructuur, mensen, samenwerking en de voorwaarden waaronder onderzoek, leren en gezamenlijk werk konden worden voortgezet.
Daarmee werd het belang van een eigen juridische en organisatorische identiteit steeds concreter. Een omgeving kon jarenlang ruimte bieden aan onderzoek, kennis, technische infrastructuur en menselijke samenwerking, terwijl een nieuwe organisatorische koers dezelfde voorzieningen vanuit geheel andere maatstaven kon beoordelen. De vraag verschoof daardoor naar hoe projecten, werkvormen en samenwerkingsmogelijkheden voldoende zelfstandig konden worden georganiseerd om niet volledig afhankelijk te blijven van de koers van één andere instelling.
Ook de naam kostte tijd. Een vroeg voorstel was IRDI, een recursief acroniem voor IRDI means IRDI Research and Development Institute. Het paste bij de hackertraditie, maar was moeilijk uit te spreken, te onthouden en uit te leggen in verschillende taalcontexten.
Na verschillende alternatieven bleef IRADIS over. De toegevoegde A maakte de naam beter uitspreekbaar, en de S kwam uiteindelijk te staan voor Shared knowledge.
De naam kreeg twee verwante betekenissen. De recursieve versie is IRADIS Research And Development Institute for Shared knowledge. De officiële betekenis is International Research And Development Institute for Shared knowledge. Beide verwijzen naar hetzelfde uitgangspunt dat onderzoek, ontwikkeling en praktische kennis gedeeld, hergebruikt en verder bruikbaar moeten kunnen worden gemaakt.
Vóór de formele oprichting werd al gewerkt aan educatieve hulpmiddelen, hardware-interfaces, maatwerk-elektronica, communicatiesoftware en kleine ontwikkelbordconcepten die mensen zelf konden solderen en programmeren. Een deel van dat werk lag dicht bij wat nu maker-educatie, vrije hardware of embedded development zou worden genoemd.
Het simulatorwerk vormde een van de zichtbare technische projectlijnen in deze periode. De F.28-simulator gebruikte een echte cockpit uit een vliegtuig dat in normale dienst had gevlogen. De computer- en interfacekant bracht oude hardware, maatwerk-elektronica, MS-DOS- en Windows-systemen, netwerken, real-time besturing, sensoruitlezing, indicatorbesturing en visualisatie samen.
De software rond dat werk hergebruikte eerdere low-level code uit demoscene- en systeemprogrammeerpraktijk. Het ging onder meer om Borland Pascal, flat 32-bit access, pre-emptive multitasking, geluids- en muziekroutines, tekenen in hoge resolutie, IPX/SPX- en UDP/IP-netwerken, en communicatie met secundaire computers die de cockpitinterface afhandelden via in eigen huis ontwikkelde elektronica.
Een stuk software uit deze periode was FSLink. Het draaide naast Microsoft Flight Simulator 98 en wisselde gegevens uit met het simulatorproces, zodat externe hardware en software konden reageren op de gesimuleerde vliegtuigstatus. Het was verbonden met het F.28-cockpitwerk en later met andere simulatorgerelateerde projecten.
Simulated Dynamics was niet de naam waaronder de stichting opereerde. Het was een ongeregistreerde werknaam of idee rond de eerste softwareversie en de presentatie van dat werk. Een exemplaar van FSLink werd verkocht aan Hogeschool Haarlem, en een ander exemplaar aan Gert Heijnis. Dat was een belangrijke technische en persoonlijke mijlpaal, maar het definieerde de latere stichting niet als commercieel softwarebedrijf.
FSLink maakte achteraf ook een van de vroege spanningen concreet. De software liet zien wat technisch gebouwd kon worden, maar het gesloten karakter paste niet volledig bij reeds bestaande uitgangspunten over kennisvrijheid en zeggenschap. De discussie over vrije software, open source, delen en praktische bruikbaarheid kreeg daarmee een heel concreet technisch voorbeeld waarop verschillende opvattingen konden worden getoetst.
In Overveen kreeg de werkwijze al vóór de formele oprichting een zelfstandiger herkenbare vorm. Ook de daaropvolgende locatie aan de Koningsteinstraat was tijdens het notariële formaliseringstraject in 2002 al in gebruik.
Deze plekken werden in die tijd met IRADIS verbonden als locaties waar bestaande uitgangspunten en een zich ontwikkelende gezamenlijke werkwijze praktisch vorm kregen: kennis delen, samen leren en werken, technische mogelijkheden zichtbaar maken en verbinding zoeken met buurtbewoners, organisaties en andere betrokkenen. Tegelijkertijd konden het organisatorische werk van de stichting en andere projecten vanuit andere omgevingen worden uitgevoerd.
De Koningsteinstraat bracht daarbij opnieuw een andere maatschappelijke omgeving binnen. Wereldgebeurtenissen en maatschappelijke spanningen, waaronder de periode rond de aanslagen van 11 september 2001 en de reacties daarop, waren ook in buurten, religieuze gemeenschappen en persoonlijke contacten merkbaar. Gesprekken over religie, identiteit, kennis, vrijheid, geweld, verantwoordelijkheid en samenleven waren daardoor geen uitsluitend theoretische onderwerpen maar kregen een directe maatschappelijke context.
De eerste uitvoeringen in Overveen en aan de Koningsteinstraat werden gedragen door andere betrokkenen dan de stichting zelf. De uitvoering in Overveen lag bovendien chronologisch vóór het bestaan van de rechtspersoon.
Vanaf het ontstaan van de rechtspersoon in 2002 werd de stichting zelf wel operator van de locatie aan de Tugelastraat. Deze uitvoering bestaat nog steeds en vormt tegenwoordig de langst bestaande huidige locatie waar ASK-Solutions het deelbare werkmodel uitvoert.
Daarmee bestonden zowel het model in ontwikkeling als fysieke uitvoeringen ervan al vóór de oprichting van de stichting. De juridische oprichting in 2002 gaf de stichting zelf rechtspersoonlijkheid en maakte het vanaf dat moment mogelijk dat zij ook zelf als operator van een uitvoering optrad.
Rond 2000 was de beslissing genomen om het bestaande werk een zelfstandige juridische en organisatorische basis te geven. De groep deed op dat moment al technische projecten, sociaal en educatief werk, mentoring, onderwijs, educatieve ondersteuning, denktankwerk, fondsenwerving en gemeenschapsactiviteiten. Dat werk vond plaats in en rond schoolomgevingen, buurtsettings, gemeenschapsgebouwen, kerken, moskeeën, lokale organisaties, technische projectruimten en de eerste fysieke uitvoeringen van het praktische werkmodel.
De formalisering bracht deze verschillende lijnen onder in een zelfstandige juridische structuur. Daarmee konden projecten, samenwerking, middelen, verantwoordelijkheden en continuïteit steeds meer vanuit een eigen organisatorische basis worden gedragen, in plaats van afhankelijk te blijven van de afzonderlijke omgevingen waarin het werk tot dan toe plaatsvond.
Ook de samenstelling van de groep rond de oprichting ontwikkelde zich. Yunus kwam via de kring rond Hüseyin bij de voorbereidingen van de stichting en was aanvankelijk voorzien voor het te vormen eerste bestuur. Toen hij zich vóór de uiteindelijke oprichting terugtrok, nam Robert zijn plaats in. Dat sloot aan bij Roberts inmiddels sterke betrokkenheid bij de groep en het dagelijkse werk.
De oprichters gingen niet met alleen een globaal idee naar de notaris. Er was een uitgewerkte statutenopzet voorbereid met onder meer de doelstelling, samenstelling en stemrechten van het bestuur, vergaderingen en besluitvorming, jaarstukken, werknemers, vastgoed, ontslag van bestuurders en verwijzingen naar relevante bepalingen uit het Burgerlijk Wetboek. In gesprekken werd daarnaast gevraagd wat de groep op dat moment concreet deed. Daarop werden de lopende technische, educatieve, sociale en maatschappelijke activiteiten en projecten beschreven.
De statuten die vervolgens terugkwamen waren door een notarieel medewerker herschreven naar het model dat het kantoor voor correcte stichtingsstatuten hanteerde. Daarbij waren niet alleen juridische bepalingen anders geformuleerd; ook de doelstelling was vervangen door een omschrijving die de concrete activiteiten die tijdens de gesprekken waren genoemd tot doel van de stichting maakte en daar een door het notariskantoor zelf bedacht verdienmodel aan koppelde, met formuleringen rond bouwen, verkopen, aankopen, leveren en ondersteunen.
Begrippen waarmee de oprichters zelf de missie beschreven, zoals gedeelde kennis, vrije software en vrije hardware, kwamen daarin niet op dezelfde manier terug. Dat leidde tot een inhoudelijke discussie over wat als statutaire doelstelling kon worden erkend. Vrije software werd door het notariskantoor niet als een zelfstandig concept aanvaard, terwijl de oprichters juist doelbewust vrije software bedoelden en niet simpelweg software, gratis software of een technische activiteit rond software.
Ook andere delen van de aangeleverde doelstelling werden als te abstract beschouwd. Het uitgangspunt van het kantoor was dat zulke formuleringen moesten worden vertaald naar herkenbare concrete activiteiten: wat bouwt, levert, organiseert of ondersteunt de stichting?
Een van de concrete projectlijnen die op dat moment al liep was de Cosmicus A340 simulator met Stichting Cosmicus in Amsterdam. De relatie met Cosmicus was via Hüseyin tot stand gekomen. Hüseyin en Yunus regelden samen de subsidie vanuit het toenmalige Nederlandse Ministerie van Onderwijs waarmee het project kon worden uitgevoerd.
Het project combineerde kindereducatie, sociaal werk, vluchtsimulatie, vrije software, vrije hardware en praktisch technisch leren. De technische simulatorlijn bouwde voort op eerder interfacewerk rond de F.28-simulator bij Hogeschool Haarlem, waaronder de wortels van BFX en RDDP, libGC en A340GC.
Juist omdat Cosmicus een concreet, lopend en juridisch gemakkelijk herkenbaar project was, kreeg het een veel grotere plaats in de eerste statuten dan de bredere missie waarvan het slechts één uitvoering was. De statutaire doelomschrijving kwam daardoor sterk te liggen op het ontwikkelen, bouwen of aankopen van simulatoren, simulatiesoftware en -hardware, mathematische modellen en het ondersteunen van scholen, universiteiten en stichtingen bij dergelijk werk.
Ook de naam liep tegen dezelfde manier van verwerken aan. De gekozen naam was IRADIS Foundation, waarbij IRADIS niet als gewone eigennaam was bedoeld maar als acroniem met een eigen betekenis. In de formele verwerking werd de naam echter aangepast alsof de aangeleverde schrijfwijze gecorrigeerd moest worden: Foundation werd Stichting en IRADIS werd als Iradis behandeld, alsof het om een gewone naam ging waarvan de hoofdletters niet betekenisvol waren.
Ook nadat de oprichters daarop wezen, was correctie niet vanzelfsprekend. Bij de Kamer van Koophandel ontstond opnieuw discussie over wat er verkeerd zou zijn aan Iradis wanneer dat zo in de akte stond. Uiteindelijk kon onder meer de schrijfwijze IRADIS worden hersteld, maar de volledige gekozen naam IRADIS Foundation kon niet als statutaire naam worden vastgelegd.
De gesprekken hierover gingen verder dan spelling. Ook de opvatting dat een Nederlandse stichting een Nederlandse rechtsvormaanduiding hoorde te gebruiken speelde mee, met argumenten over Nederlandse wetgeving, moedertaal en veramerikanisering.
De formele Nederlandse rechtspersoon werd daardoor geregistreerd als Stichting IRADIS, terwijl IRADIS Foundation de door de oprichters gekozen naam en identiteit bleef. Dat verschil is belangrijk in deze geschiedenis: Stichting IRADIS is het resultaat van de formele Nederlandse verwerking van de oprichting en niet de naam waaruit de identiteit IRADIS Foundation later is voortgekomen.
De vraag naar continuïteit beperkte zich niet tot de rechtspersoon zelf. In de eerdere praktijk was een deelbare manier van werken herkenbaar geworden die niet afhankelijk moest zijn van één organisatie, één locatie of één groep mensen. Tegelijkertijd bestond al ruime ervaring met vrije software, vrije hardware en copyleft als manieren om bepaalde vrijheden rond software, ontwerpen en documentatie te beschermen.
De veranderingen rond Hogeschool Haarlem en InHolland maakten echter zichtbaar dat copyleft een ander soort afhankelijkheid niet kon oplossen. Een vrije softwarelicentie kan bijvoorbeeld beschermen dat software bestudeerd, aangepast en opnieuw verspreid kan worden, maar kan niet voorkomen dat een instelling een ruimte sluit, toegang verandert, apparatuur verwijdert, mensen verspreidt, infrastructuur anders inzet of een samenwerkingsvorm beëindigt.
Daarmee ontstond een ander probleem: hoe kan niet alleen een afzonderlijk auteursrechtelijk werk, maar ook een deelbare manier van samenwerken en uitvoeren voldoende zelfstandig blijven om elders te kunnen worden voortgezet wanneer een bestaande organisatie of uitvoerder van koers verandert?
In 2002 bracht IRADIS daarom de IRADIS Public License 1.0 (IPL 1.0) uit. Bij de inhoudelijke ontwikkeling daarvan was Laura de belangrijkste inbrenger. De IPL probeerde bestaande kennis over vrijheid, samenwerking, copyleft, organisatorische afhankelijkheid en de praktische ervaringen met het werkmodel samen te brengen in een beschermend kader dat verder keek dan uitsluitend auteursrecht.
De IPL beschreef het in de eerdere praktijk herkenbaar geworden deelbare werkmodel en probeerde voorwaarden vast te leggen waardoor de uitgangspunten en voortzetting daarvan niet volledig afhankelijk werden van de belangen of keuzes van één latere gebruiker, operator of organisatie.
De IPL werd later verder ontwikkeld en hernoemd tot de Howard Public Licence (HPL). De uitgebreide beschrijving van de huidige HPL en de manier waarop deze wordt toegepast hoort bij de documentatie rond het model zelf. Voor de geschiedenis van de stichting is vooral van belang dat deze beschermingsgedachte al in 2002 ontstond uit de combinatie van reeds bestaande ideeën over kennisvrijheid en copyleft met concrete ervaringen waaruit bleek dat auteursrechtelijke vrijheid alleen niet voldoende bescherming biedt voor een werkmodel, samenwerking of institutionele omgeving.
Vanaf het begin kregen de uitgangspunten van de stichting tegelijk vorm in technisch, educatief, sociaal en gemeenschapsgericht werk. Mentoring en praktische ondersteuning konden draaien om leren, motivatie, samenwerking en persoonlijke richting, terwijl technische projecten, software, elektronica, simulatoren, gereedschap of reparatie een concrete activiteit boden waarbinnen mensen elkaar ontmoetten en kennis konden delen.
Niet ieder vastgelopen onderwerp hoefde eerst als abstract gesprek te worden benaderd. Via een andere activiteit konden aandacht, vertrouwen of motivatie weer in beweging komen. Omgekeerd waren praktische activiteiten niet alleen een middel om mensen bezig te houden: zij konden ook nieuwe vragen oproepen over zelfstandigheid, eigenaarschap, kennis en de manier waarop iemand zich tot een probleem of omgeving verhoudt.
Een deel van het werk was verbonden met buurtcommunicatie, lokale gemeenschapsnetwerken en educatieve organisaties. Een deel groeide uit gesprekken, mentoring, projectwerk en mensen die simpelweg binnenliepen. De rode draad was niet dat techniek sociaal werk veroorzaakte, maar dat verschillende vormen van kennis en activiteit samen concrete mogelijkheden boden om te leren, samen te werken, vertrouwen op te bouwen en invloed op de eigen omgeving te ervaren.
Hüseyin speelde in de eerste jaren een belangrijke rol in deze maatschappelijke en educatieve lijnen. Via hem kwamen onder meer de contacten en projectlijnen rond Stichting Witte Tulp en Stichting Cosmicus bij de stichting terecht. Daarmee bracht hij niet alleen projecten binnen, maar ook zijn eigen gemeenschapsnetwerk, culturele achtergrond en ervaringen rond onderwijs en begeleiding.
Het begeleidingswerk verbonden aan Stichting Witte Tulp ontwikkelde zich als educatieve en gemeenschapsgerichte projectlijn waarin onder meer mentoring, cultureel zelfvertrouwen, veilig computergebruik en technische uitleg een plaats kregen. Ook andere mensen uit de kring rond de stichting, waaronder Jolanda, waren als vrijwilliger bij Witte Tulp actief.
IslamicScience sloot nauw aan bij Hüseyins in die periode steeds verder groeiende persoonlijke belangstelling voor Arabische wiskunde, wetenschapsgeschiedenis, architectuur en historische bronnen. Binnen het project konden die onderwerpen worden verbonden aan educatie, handschriften, documentatie en gestructureerd webpubliceren. Hüseyin zette deze belangstelling vervolgens steeds verder voort in zijn eigen studie en latere onderwijs en onderzoek.
Deze ontwikkeling laat ook zien dat de invloed niet in één richting liep. Projecten ontstonden uit kennis en interesses die betrokkenen al meebrachten, maar concrete projecten en ontmoetingen konden op hun beurt nieuwe vragen, contacten en verdere persoonlijke of academische ontwikkeling mogelijk maken.
Het praktische werkmodel dat in de vroege locaties al concrete vorm had gekregen, werd later verder ontwikkeld onder de projectnaam The Owl’s Nest. Daarin komen praktisch werk, leren, samenwerking, sociale verbondenheid en kennisdeling samen binnen een model dat op verschillende plaatsen en door verschillende uitvoerders kan worden toegepast en verder ontwikkeld.
Gereedschap en techniek bieden daarin een concrete omgeving om samen te werken, ervaring en kennis door te geven, vragen te onderzoeken en mensen zelf te laten oefenen, ontdekken en leren. Het maken en repareren is daarmee zowel activiteit als middel om zelfstandigheid, begrip, samenwerking en kennisoverdracht in de praktijk vorm te geven. De latere projectnaam maakte deze al bestaande projectlijn en werkwijze herkenbaarder binnen de publieke structuur.
In de eerste jaren werd veel verschillend werk onder de naam IRADIS gepresenteerd. Projecten die als afzonderlijk resultaat moesten kunnen worden ontwikkeld, opgeleverd, gebruikt of doorgegeven kregen een eigennaam. Zonder zo'n naam zouden software, hardware, protocollen en andere opleverbare projecten niet eenduidig van elkaar en van de organisatie zelf te onderscheiden zijn geweest. Daarom kregen opleverbare projecten namen als BackPage, Synergos, BFX, OpenBus en A340GC.
Bij meer uitvoeringsgerichte projectlijnen lag dat anders. Werk rond bijvoorbeeld Stichting Cosmicus en Stichting Witte Tulp had wel een eigen doel, context en uitvoering, maar kreeg destijds geen afzonderlijke publieke projectnaam. Ook het praktische werk rond locaties, leren, reparatie en kennisdeling bleef lange tijd onder de bredere naam IRADIS zichtbaar.
In de periode na The Italian Situation werd duidelijker dat ook zulke uitvoeringsgerichte projecten een herkenbare eigen naam nodig hadden. Daarmee konden de rechtspersoon, de publieke identiteit van de organisatie en afzonderlijke projecten ook voor mensen buiten de organisatie duidelijker van elkaar worden onderscheiden.
De IRADIS Foundation bleef de stichting en rechtspersoon. ASK-Solutions werd de herkenbare publieke organisatienaam. Het al veel langer bestaande praktische project rond het deelbare werkmodel kreeg later de naam The Owl’s Nest.
Historische projectlijnen rond bijvoorbeeld Stichting Cosmicus en Stichting Witte Tulp zouden binnen die latere manier van benoemen waarschijnlijk eveneens een eigen projectnaam hebben gekregen, zoals ook een later project als Bōzuki een zelfstandige naam heeft. Omdat die historische projectlijnen toen al bestonden en grotendeels tot het verleden behoorden, was er geen praktisch doel om daar achteraf alsnog nieuwe eigennamen en afzonderlijke projectwebsites voor te introduceren.
In dezelfde periode werd ook de visuele herkenbaarheid verder ontwikkeld. Howard, de uil die als mascotte in verschillende vormen terugkomt, werd onderdeel van de bredere beeldtaal van ASK-Solutions en haar projecten. De basisvorm wordt voor ASK-Solutions gebruikt, terwijl varianten herkenbare kenmerken van een project kunnen dragen. Zo verschijnt Howard bij Nocterra bijvoorbeeld met een N en bij The Owl’s Nest met een hamer.
De gedeelde mascotte maakt de onderlinge relatie tussen het werk herkenbaar, terwijl de verschillende namen en varianten tegelijk zichtbaar maken met welke organisatie of welk project iemand te maken heeft.
De naam The Owl’s Nest markeert daarmee de latere publieke naamgeving van een al bestaand project. Het deelbare werkmodel en de eerste fysieke uitvoeringen waarop dat project voortbouwt dateren van vóór de stichting.
Het werk heeft vanaf het begin zowel fysieke als netwerkgebonden vormen gehad. Nog voordat de juridische stichting bestond, waren BBS-systemen, FidoNet, DNS, mail- en webservers al onderdeel van de technische en communicatieve omgeving. Dat ging verder via systemen bij meerdere mensen thuis, op Hogeschool Haarlem, op kantoor en later in datacenters. Het internet werd gebruikt om te publiceren, te communiceren, software te hosten en documentatie te delen.
Daarnaast waren er fysieke plekken waar mensen daadwerkelijk samenkwamen, praktisch werk konden zien, vragen konden stellen en zelf konden deelnemen. De eerste uitvoering in Overveen bestond vóór de formele stichting en de locatie aan de Koningsteinstraat was bij het formaliseringstraject in 2002 al aanwezig. Vanaf 2002 voerde de stichting zelf daarnaast de locatie aan de Tugelastraat uit, die tegenwoordig de langst bestaande huidige locatie is.
Andere uitvoeringen konden in de loop van de tijd veranderen wanneer toegang tot ruimte, samenwerking met andere organisaties of de aard van het werk veranderde. Organisatie, projecten, operators en concrete locaties konden daarbij verschillende relaties tot elkaar hebben.
Het kantoor en de backoffice boden continuïteit voor administratie, opslag, coördinatie en langlopende projecten. De netwerkzijde bood continuïteit voor communicatie, publicatie, software en documentatie. Fysieke uitvoeringen boden de ruimte waarin mensen elkaar konden ontmoeten, gereedschap en techniek konden gebruiken, vragen konden stellen en kennis praktisch konden uitwisselen.
De ervaringen rond veranderende school-, project- en samenwerkingsomgevingen maakten duidelijk dat continuïteit niet vanzelf ontstaat. Ruimte kan verdwijnen, apparatuur kan worden afgestoten, mensen kunnen worden verplaatst en kennis kan verloren gaan wanneer niemand expliciet verantwoordelijkheid draagt voor het bewaren en voortzetten ervan.
Vrije software en vrije hardware bestonden binnen deze geschiedenis al vóór deze ervaringen. Wat de veranderende institutionele omgevingen vooral versterkten, was het belang van zelfstandige infrastructuur, duurzame documentatie, eigen organisatorische continuïteit en beschermingsmodellen voor aspecten van gedeeld werk die niet door gewone auteursrechtelijke copyleft kunnen worden beschermd.
Die geschiedenis heeft sterk beïnvloed hoe ASK-Solutions denkt over gereedschap, ruimte en kennis. Een werkplaats is niet alleen een kamer met machines. Het is een sociale en technische omgeving waar mensen kunnen terugkomen, oefenen, vragen stellen, ervaring delen en over tijd vertrouwen en kennis kunnen opbouwen.
Naast het fysieke en educatieve werk bouwde ASK-Solutions ook publicatietools. Het vroege web had een directe belofte: mensen en organisaties konden publiceren, kennis delen en hulpmiddelen bouwen zonder toestemming nodig te hebben van een grote softwareleverancier, uitgever of omroep. Maar de beschikbare tools trokken websites vaak richting propriëtaire workflows, browserspecifieke uitvoer of afhankelijkheden van hostingpartijen.
Het eerste publicatiesysteem in deze lijn was BackPage, gebouwd als antwoord op de beperkingen van zowel handmatig onderhouden HTML als desktop-webauthoringworkflows. BackPage werkte vanuit gestructureerde bronbestanden en genereerde website-uitvoer. Het evolueerde later naar Synergos, dat een interactiever publicatiemodel verkende, met onder meer SQL-gebaseerde structuur, WYSIWYG-bewerking, pagina’s, producten, bestellingen en betalingsafhandeling.
De marktplaats- en webshoprichting werd uiteindelijk achtergelaten, maar het werk aan gestructureerd publiceren ging door. In 2019, na The Great Server Crash™, werd Synergos niet hersteld zoals het was. De bruikbare lessen uit BackPage en Synergos werden meegenomen in Nocterra, terwijl keuzes die niet meer bij de gewenste richting pasten bewust werden achtergelaten.
Nocterra werd daarmee geen eenvoudige hervatting van Synergos, maar een nieuwe uitwerking van dezelfde langere publicatielijn: een algemene vrije-software-CMS met nadruk op brongebaseerd publiceren, gegenereerde uitvoer, overdraagbare inzet, onderhoudbaarheid en langdurige controle door de gebruiker.
Het simulatorgerelateerde werk liep ook door na de vroege FSLink-periode. De wortels van BFX en RDDP waren al aanwezig in het F.28-simulatorwerk bij Hogeschool Haarlem, waar echte cockpithardware moest communiceren met software die op computers draaide. Via het latere Cosmicus A340-simulatorproject kreeg die lijn duidelijker vorm als vrije software en vrije hardware.
A340GC, libGC en RDDP vormden een deel van de software- en protocollijn rond dat werk. BFX vormde een deel van de hardware-interfacelijn. Samen laten zij zien hoe simulatorwerk meer was dan een eenmalig product: het was een manier om echte hardware, software, communicatieprotocollen, interfaces en documentatie te verbinden in vormen die begrepen, hergebruikt en bewaard konden worden.
Maken, repareren en hergebruik kregen binnen het praktische werkmodel steeds meer concrete vormen. Werken aan echte objecten maakt het mogelijk om een probleem gezamenlijk te onderzoeken, kennis en ervaring over te dragen, een ontwerp te begrijpen en iemand zelf te laten ontdekken hoe iets is opgebouwd, aangepast of hersteld kan worden.
Daarvoor groeiden in de loop van de tijd ook de beschikbare technische mogelijkheden. Gereedschap, machines, elektronica, meetapparatuur, 3D-printen en andere werkplaatsvoorzieningen maakten steeds meer soorten werk mogelijk, van reparatie en prototyping tot het opnieuw maken van onderdelen die niet meer verkrijgbaar zijn. Dezelfde voorzieningen konden worden gebruikt voor eigen projecten, onderwijs, onderzoek en gezamenlijk praktisch werk.
Juist bij reparatie en hergebruik wordt kennis zichtbaar die in een afgewerkt product gemakkelijk verborgen blijft. Een defect onderdeel, een meting, een connector of een constructiekeuze kan aanleiding zijn om te onderzoeken hoe iets werkt, waarom het stukging en hoe het anders ontworpen of hersteld kan worden. Zo verbinden maken en repareren praktisch handelen met begrip, zelfstandigheid, kennisoverdracht en de mogelijkheid om techniek zelf te blijven onderzoeken en aanpassen.
De stichting werkte jarenlang met statuten waarin één concrete projectlijn veel zichtbaarder was vastgelegd dan de missie en de bredere activiteiten waaruit zij was ontstaan. De gebruikelijke slotbepaling over activiteiten die rechtstreeks of zijdelings met de doelen verband hielden bood daarbij juridische ruimte voor samenhangende werkzaamheden, maar maakte de achterliggende missie zelf niet duidelijker.
Het verschil zat daarom niet tussen wat de stichting statutair beweerde en wat zij werkelijk deed. De werkzaamheden pasten binnen de statutaire ruimte en sloten aan op het werk waarvoor de stichting was opgericht. Het verschil zat tussen een concrete juridische beschrijving die sterk door één toenmalige projectlijn was gevormd en de bredere missie die de oprichters oorspronkelijk hadden geprobeerd vast te leggen.
Toen de statuten later moesten worden gemoderniseerd, wilde de stichting daarom niet opnieuw beginnen bij een lijst van actuele activiteiten, maar de doelstelling eindelijk vastleggen vanuit de missie en filosofie waaruit het werk was ontstaan. Ook dat bleek niet vanzelfsprekend. Voor de wijziging in 2024 is met meerdere notariskantoren gesproken voordat een kantoor werd gevonden dat bereid was de doelstelling op die manier te behandelen.
Een kantoor wilde de bestaande doelstelling slechts beperkt aanpassen, bijvoorbeeld door enkele woorden te wijzigen of activiteiten toe te voegen. Een ander wilde opnieuw eerst vaststellen welke concrete activiteiten de stichting uitvoerde en daar zelf een doelomschrijving van maken. Daarmee dreigde hetzelfde probleem als bij de oprichting terug te keren: actuele voorbeelden van uitvoering zouden opnieuw de plaats innemen van de reden waarom die activiteiten überhaupt werden uitgevoerd.
Dat kon bijvoorbeeld leiden tot een doelomschrijving rond het repareren van computers, het ontwerpen van websites, het organiseren van workshops of zelfs het organiseren van de verkoop van koffie en thee. Dat zijn activiteiten die op enig moment binnen het werk kunnen voorkomen, maar zij zijn niet de reden waarom de stichting bestaat.
De stichting wilde juist vastleggen waarom kennisdeling, praktische ontwikkeling, samenwerking en vrije software en hardware worden bevorderd, zonder de doelstelling afhankelijk te maken van de concrete activiteiten waarmee dat op een bepaald moment gebeurt.
Het notariskantoor waarmee de wijziging uiteindelijk werd uitgevoerd accepteerde wel dat de doelstelling vanuit de bredere missie werd beschreven. Daardoor kon de statutaire doelstelling eindelijk veel directer aansluiten op de filosofie die al vóór de oprichting aan het werk ten grondslag lag en die in de tussenliggende jaren door nieuwe ervaringen, mensen en projecten verder was ontwikkeld.
Ook daar bleef echter discussie bestaan over de inrichting van het bestuur. De stichting wilde een bestuur van ten minste drie bestuurders, waarbij concrete functies en verantwoordelijkheden via de onderlinge inrichting en besluitvorming konden worden verdeeld, in plaats van één onveranderlijk statutair model met precies één voorzitter, één secretaris en één penningmeester.
Na uitvoerig overleg werd vastgelegd dat het bestuur uit ten minste drie bestuurders bestaat en dat de functies van voorzitter, secretaris en penningmeester over de bestuurders worden verdeeld, waarbij één bestuurder meer dan één van deze functies kan vervullen. Andere gewenste vormen van bestuurlijke flexibiliteit zijn niet volledig overgenomen. Zo bleven de regels rond schorsing gebaseerd op de gekozen statutaire besluitvormingsstructuur en werd een mogelijke toekomstige raad van toezicht niet alvast opgenomen; daarvoor zou bij daadwerkelijke invoering opnieuw een statutenwijziging nodig zijn.
De statutenwijziging van 10 oktober 2024 bracht de formele doelstelling daarmee veel dichter bij de missie van de stichting, zonder dat ieder onderdeel van de gewenste organisatiestructuur letterlijk kon worden vastgelegd zoals oorspronkelijk voorgesteld.
Door de jaren heen ontwikkelden mensen, namen, locaties, gereedschappen, publieke websites, inzichten en formuleringen zich verder. Een herkenbare lijn door die ontwikkeling is het streven om kennis zo te delen dat mensen voldoende inzicht en zeggenschap krijgen om zelf te begrijpen, onderzoeken, leren, repareren, bouwen, samenwerken en keuzes te maken.
Vandaag krijgt dat werk onder meer vorm in artikelen, software, documentatie, sociaal en educatief werk, praktische techniek, reparatie en verschillende projecten. Het project The Owl’s Nest bouwt daarbij voort op het al vroeg herkenbare deelbare werkmodel voor praktisch werken, leren en kennisdelen. ASK-Solutions voert dat model zelf op verschillende locaties uit, terwijl andere operators het model eveneens kunnen uitvoeren.
De uit de IRADIS Public License voortgekomen Howard Public Licence vormt een van de manieren waarop de stichting probeert de continuïteit en deelbaarheid van dat model ook te beschermen waar gewone auteursrechtelijke copyleft daarvoor niet voldoende is.
Het werk is lokaal waar mensen elkaar fysiek ontmoeten en samenwerken, en internationaal waar kennis, software, documentatie, ontwerpen, modellen en ervaringen over grenzen heen kunnen worden gedeeld, aangepast en verder ontwikkeld.
Verschillende delen van deze geschiedenis worden uitgebreider beschreven op projectpagina’s:
De tijdlijn begint in de periode waarin mensen, projecten en samenwerkingsvormen die later bij de stichting zouden samenkomen steeds herkenbaarder met elkaar verbonden raakten. De betrokkenen brachten daarbij ieder al persoonlijke, maatschappelijke, culturele, religieuze, filosofische, educatieve en technische achtergronden en ervaringen mee. De tijdlijn beschrijft daarom het ontstaan van de gezamenlijke organisatiegeschiedenis en het moment waarop deze verschillende lijnen steeds duidelijker met elkaar verweven raakten.
Een steeds concretere technische en netwerkgebonden praktijk ontstaat rond software, hardware, educatie, BBS- en vroege internetcultuur, maatwerk-elektronica, meetsystemen en gedeeld technisch leren. Vooral BBS’en en het vroege internet maakten tegelijk een bredere maatschappelijke verschuiving zichtbaar: mensen kregen nieuwe mogelijkheden om zelf informatie te zoeken en te publiceren, rechtstreeks met anderen te communiceren, kennis te delen en buiten bestaande instituties samen te werken en zich te organiseren. Daarmee kregen bestaande vragen over zelfstandigheid, vrijheid, toegang tot kennis en de verdeling van zeggenschap en macht nieuwe vormen en een steeds grotere maatschappelijke betekenis.
Werk rond de afdeling Luchtvaarttechniek van Hogeschool Haarlem brengt technische projecten, een open werkplaatsachtige omgeving, studententoetssystemen, simulatorwerk, buurtbezoekers en mensen met verschillende achtergronden samen. Laura, Hüseyin, Piet de Wit, Olaf van Bockel, Robert en anderen raken in verschillende rollen bij het werk en de gesprekken daaromheen betrokken.
Een eigen projectruimte wordt ingericht en dagelijks door studenten en vrijwilligers opengehouden. Studenten uit verschillende technische opleidingen en de HEAO gebruiken de ruimte voor opdrachten en projecten uit hun opleiding, terwijl zij en mensen van buiten de school er ook aan eigen interesse- en hobbyprojecten, reparaties en andere praktische vragen werken. In deze omgeving krijgt een eerste zelfstandiger fysieke uitvoering van de later beschreven praktische werkwijze herkenbare vorm.
FSLink en gerelateerde simulatorsoftware worden ontwikkeld rond de F.28-cockpitomgeving. Simulated Dynamics wordt gebruikt als ongeregistreerde werknaam rond die software, niet als de naam van de latere stichting. Het gesloten karakter van FSLink wordt tegelijk een concreet voorbeeld binnen reeds bestaande discussies over vrije software, open source, kennisdeling en daadwerkelijke zeggenschap.
De behoefte aan een zelfstandige stichting wordt concreter terwijl technisch werk, gemeenschapsactiviteiten, educatieve ondersteuning, fondsenwerving, maatschappelijke contacten en intensieve gesprekken over kennis, vrijheid, verantwoordelijkheid en organisatie naast elkaar plaatsvinden. De praktische werkwijze rond kennisdeling, leren en samenwerken krijgt ondertussen ook buiten de oorspronkelijke projectomgeving fysieke vorm.
Piet de Wit en anderen benadrukken het belang van een zelfstandige organisatorische en juridische basis. Hüseyin brengt vanuit zijn maatschappelijke netwerk nieuwe contacten en projectlijnen binnen. De groep ontwikkelt zich daarmee niet vanuit één technisch project naar een bredere missie, maar brengt verschillende reeds bestaande lijnen steeds bewuster onder één organisatorische vorm samen.
Het proces om het bestaande werk als stichting te formaliseren begint. Het domein iradis.org wordt geregistreerd en IRADIS Foundation is de gekozen naam waarmee het formaliseringstraject wordt ingegaan. Het deelbare praktische werkmodel en een eerste fysieke uitvoering daarvan bestaan dan al.
Via Hüseyin komt de relatie met Stichting Cosmicus tot stand. Hüseyin en Yunus regelen de subsidie vanuit het toenmalige Nederlandse Ministerie van Onderwijs voor de Cosmicus A340 simulator. Het project wordt een van de concrete formele projectlijnen waarmee het vroege educatieve, sociale en technische werk zichtbaar wordt.
Yunus is aanvankelijk betrokken bij de oprichtingsvoorbereiding en voorzien voor het eerste bestuur. Wanneer hij zich vóór de uiteindelijke oprichting terugtrekt, neemt Robert zijn plaats in.
Parallel aan dit proces verandert de onderwijsomgeving waar een belangrijk deel van het vroege gezamenlijke werk plaatsvond. De overgang naar InHolland en de daaropvolgende gefaseerde reorganisatie leggen meer nadruk op efficiëntie, locatieplanning en meetbare onderwijs- en studiecapaciteit. Voor de betrokkenen maakt dit zichtbaar hoe snel langdurige samenwerkingen, technische infrastructuur, onderzoeksruimte, archieven en multifunctionele werkvormen kwetsbaar kunnen worden wanneer de prioriteiten van een grotere organisatie veranderen.
De IRADIS Foundation krijgt rechtspersoonlijkheid; in de oprichtingsakte wordt de rechtspersoon formeel vastgelegd als Stichting IRADIS. Daarmee krijgen reeds bestaand technisch, sociaal, educatief en gemeenschapsgericht werk en de bredere missie een zelfstandige juridische en organisatorische basis.
Op dat moment bestaan al fysieke uitvoeringen van het praktische werkmodel. De eerdere uitvoering in Overveen en de locatie aan de Koningsteinstraat waren al vóór of tijdens het formaliseringstraject aanwezig. Vanaf 2002 wordt de stichting zelf operator van de locatie aan de Tugelastraat, tegenwoordig de langst bestaande huidige locatie waar ASK-Solutions het werkmodel uitvoert.
De oprichting van de stichting markeert daarmee het ontstaan van de rechtspersoon en het begin van de stichting als operator van Tugelastraat. Het deelbare werkmodel en de eerste fysieke uitvoeringen daarvan zijn ouder.
De eerste statuten leggen vooral de concrete simulatorgerelateerde activiteiten van dat moment vast, nadat de bredere aangeleverde missie door het notariskantoor was vertaald naar concrete activiteiten en een daaraan gekoppeld verdienmodel.
In hetzelfde jaar wordt de IRADIS Public License 1.0 (IPL 1.0) uitgebracht. De aanleiding ligt niet in het ontstaan van vrije software of vrije hardware; die lijnen bestonden al. De ervaringen met organisatorische afhankelijkheid maken juist zichtbaar dat copyleft niet kan beschermen wat buiten het auteursrecht ligt, zoals ruimte, toegang, infrastructuur, samenwerking en institutionele continuïteit. Laura is de belangrijkste inhoudelijke inbrenger bij het ontwikkelen van de IPL als beschermend kader rond het deelbare werkmodel. De IPL wordt later verder ontwikkeld en hernoemd tot de Howard Public Licence (HPL).
Projecten voor algemeen belang combineren technologie, educatie, maatschappelijke betrokkenheid en sociale samenhang. De Cosmicus A340 simulator, begeleiding verbonden aan Stichting Witte Tulp, IslamicScience, simulatorgerelateerde software, praktisch leren, gemeenschapssettings, computerleerruimten en verschillende fysieke uitvoeringen geven op verschillende manieren vorm aan de bredere missie.
Hüseyin speelt een belangrijke rol in de maatschappelijke en educatieve lijnen rond Cosmicus en Witte Tulp. IslamicScience sluit aan op zijn groeiende persoonlijke studie van Arabische wiskunde en wetenschapsgeschiedenis en vormt een van de omgevingen waarin die belangstelling verder wordt uitgewerkt voordat hij deze richting ook academisch verder voortzet.
De reorganisatie van de voormalige Hogeschool Haarlem-omgeving gaat ondertussen in fasen verder. Teams en opleidingen worden over locaties verdeeld, gespecialiseerde ruimten en laboratoria verdwijnen of veranderen van functie en oude onderwijs- en onderzoeksarchieven worden bij ontruimingen deels afgevoerd. De ervaring versterkt binnen IRADIS het belang van zelfstandige continuïteit, eigen infrastructuur, documentatie en bescherming tegen afhankelijkheid van de prioriteiten van één andere instelling.
Het publicatiesysteem BackPage evolueert naar Synergos, terwijl simulatorgerelateerde software en interfaces zich verder ontwikkelen tot meer herbruikbare componenten en protocollen. Het praktische werkmodel blijft daarnaast via fysieke uitvoeringen en samenwerkingen bestaan.
Er wordt meer interne fabricagecapaciteit opgebouwd ter ondersteuning van prototyping, reparatie, maatwerkonderdelen en praktische technische educatie.
3D-printen wordt een stabiel onderdeel van workflows voor prototyping, reparatie en reproductie van onderdelen.
Naast langer bestaande uitvoeringen, waaronder de locatie aan de Tugelastraat, komt aan de Paul Krugerstraat meer ruimte beschikbaar voor een bredere publieke werkplaatsuitvoering. Het pand wordt door een bij het werk betrokken persoon, die tegenwoordig ook deel uitmaakt van het bestuur, aangekocht en voor het praktische werk van de stichting beschikbaar gesteld. Grotere machines en gereedschappen kunnen vanuit de Tugelastraat worden verplaatst, waardoor daar tegelijkertijd ruimte ontstaat om onder meer de mogelijkheden voor 3D-printen verder uit te breiden.
De aankoop vormt ook de directe aanleiding voor de gebeurtenissen die later bekend worden als The Italian Situation. De volledige gebeurtenissen, hun gevolgen voor betrokken personen en bestuur en het latere herstel van de stichting worden op de afzonderlijke geschiedenispagina daarover behandeld.
Na The Great Server Crash™ wordt Synergos niet hersteld zoals het was. De bruikbare lessen uit BackPage en Synergos worden meegenomen naar Nocterra, terwijl onderdelen en richtingen die niet meer bij de gewenste publicatiefilosofie passen bewust worden achtergelaten.
In de periode na The Italian Situation wordt ook de publieke naamgeving duidelijker gescheiden. ASK-Solutions wordt de herkenbare publieke organisatienaam van de stichting. Het al veel langer bestaande praktische project rond het deelbare werkmodel krijgt later de afzonderlijke naam The Owl’s Nest. Daarmee worden rechtspersoon, publieke organisatie-identiteit en afzonderlijke projecten duidelijker herkenbaar.
Ook Howard wordt in deze periode onderdeel van de gedeelde visuele identiteit, met verschillende varianten voor ASK-Solutions en afzonderlijke projecten.
De invoering van de naam The Owl’s Nest markeert daarmee een verandering in publieke naamgeving en herkenbaarheid van het project. Het project bouwt voort op een werkmodel en fysieke uitvoeringen die veel ouder zijn.
Langlopend werk rond reparatie, hergebruik, privacy, digitale autonomie en controle door gebruikers wordt duidelijker zichtbaar in publieke communicatie. Right to Repair en Right to Ownership geven bredere publieke taal aan zorgen waar de stichting al langer aan werkte via reparatiewerk, documentatie, software, artikelen, het project The Owl’s Nest, Nocterra en de uit de IRADIS Public License voortgekomen Howard Public Licence.
Na overleg met meerdere notariskantoren worden de statuten gewijzigd. De nieuwe doelstelling legt de bredere missie rond gedeelde kennis, samenwerking, sociale verbondenheid en vrije software en hardware veel directer vast dan de oorspronkelijke statuten uit 2002. Ook de bestuursstructuur wordt gemoderniseerd, al worden niet alle door de stichting voorgestelde vormen van bestuurlijke flexibiliteit overgenomen.